Symposium 'Bewegen in en rondom de school'

Fontys Sporthogeschool in Eindhoven, 30 maart 2023 – Dave Van Kann werd (naast Steven Vos) benoemd tot lector binnen lectoraat Move to Be. Hij houdt zich bezig met de kennisthema’s ‘Leren bewegen’ en ‘Beweegvriendelijke omgeving’. De droom van het lectoraat is ‘Een leven lang bewegen’ en raakt alle kennisthema’s en onderzoeken die gedaan worden door het lectoraat in samenwerking met betrokken collega’s, onderwijsinstellingen en het werkveld. Het doel van het lectoraat en Fontys Sporthogeschool is om impact te maken in de maatschappij. Impact gericht op de doelgroep kinderen (‘Leren bewegen’, opleiden van LO-docenten tot de master Sport- en Bewegingsonderwijs) tot aan doelgroep ouderen (‘Beweegvriendelijke omgeving’, opleiden tot Sportkundige en de master Healthy Ageing) en alles daar tussenin.

Dave herhaalde bovenstaand in zijn presentatie met praktijkvoorbeelden en visuele ondersteuning. Alle sprekers op het symposium en de rede benadrukten de urgentie van het probleem, maar ook de maatschappelijke relevantie van het onderwerp met de focus op bewegen onder (jonge) kinderen. Bewegen en het aanleren van een gezonde leefstijl aanpakken, begint bij het begin van de eerste stapjes thuis naar later in en rondom de school.

Move to Be lector Steven Vos opende het symposium en benoemde de datum (30 maart). Waarom is deze dag bijzonder? De dag 30 maart is onder andere de datum van de verloving van Willem-Alexander en Maxima, maar het is ook een datum die dichter bij Fontys ligt. 30 maart is namelijk 2 dagen voor de datum van de oprichting van lectoraat Move to Be (1 april 2013). Het is toeval … maar Steven Vos gelooft dat het dan zo had moeten zijn. Hij heette de bezoekers welkom bij Fontys Sporthogeschool en het symposium. Steven stond nog een moment stil bij de diversiteit van het publiek: van Gent tot Groningen en Zeeland tot Maastricht vanuit de wijk en het rijk. Kortom, een diverse club mensen die samen komen voor de drie sprekers over het thema ‘Leren bewegen’ en ‘Bewegen in en rondom de school’.

Jasper Schipperijn

Verbonden aan de University of Southern Denmark Hoogleraar ‘Active living environments’ en the World Playground Research Institute

Jasper Schipperijn stelde de vraag: “Hoe richten we de omgeving in voor kinderen om beweging aantrekkelijk te maken en uit te nodigen om te spelen?” Er is een probleem, namelijk fysieke inactiviteit. We voldoen niet aan de beweegrichtlijnen ondanks de inspanning van de professionals die aanwezig zijn in deze collegezaal en daarbuiten. In een video van World Health Organization (2020) wordt duidelijk dat er veel vormen van bewegen zijn en in de beweging van #BeActive, laat WHO zien dat alle vormen van beweging je actiever maken.

Specifiek jongeren tussen de 12 en 18 jaar scoren slechter op de beweegnorm dan volwassenen. 81% van de jongeren voldoet niet aan 60 minuten bewegen per dag. De leefstijlmonitor is een handige tool, maar voor (jonge) kinderen is de data moeilijk te meten. 

Schipperijn toonde ook een animatie met onderzoeksdata waarbij de onderzoekers van de University of Southern Denmark een riem gaf aan kinderen om te zien waar ze zijn en hoe actief ze zijn. In dit onderzoek deden 160 kinderen tussen 10 en 15 jaar mee. Op de animatie is te zien dat er veel beweging is in de vorm van transport, maar ook op school en met name in de pauze en in de woonwijk na schooltijd. De conclusie van het onderzoek is dat kinderen het meest actief zijn in de vrije speeluren tijdens de schooldag, evenals transport van en naar school.

De take-home messages van deze sessie zijn:

  1. Kinderen en jongeren bewegen zich in verschillende omgevingen,
  2. Een goede speelomgeving is van groot belang voor buitenspelen,
  3. Sport is minder belangrijk voor bewegen dan vaak gedacht,
  4. Actief transport is van groot belang voor jongeren;
  5. Tweens (en tieners) willen zich graag bewegen, als er een geschikte buitenomgeving voor ze is. 
Jasper Schipperijn

Mirka Janssen

Lector ‘Bewegen in en om school’ | Hogeschool van Amsterdam

Mirka Janssen is bezig met de dynamische schooldag. Hierin is het doel is om kinderen 60 minuten per schooldag te laten bewegen. Het grootste deel van de beweegmomenten zou losgekoppeld moeten worden van de schooldag om actief te kunnen bewegen. De video over de dynamische school laat scholen in Amsterdam zien waar het lectoraat ‘Bewegen in en om school’ onderzoek doet. Hier doen nu al meerdere scholen aan mee in Amsterdam. Het probleem volgens docenten is dat er te weinig ruimte is voor kinderen om te bewegen. Op de deelnemende scholen krijgt bewegen een grotere en belangrijkere rol tijdens de schooldag. De docenten en kinderen zelf merken dat de focus beter is en daarnaast zorgt bewegen ook voor verbetering in de sociale omgang met elkaar.

Visie > belang > plan > middelen > competenties = verandering
Volgens Janssen moet iedereen die betrokken is bij het proces meekrijgen om verandering door te voeren. Een merkbaar effect zorgt voor een gevoel van competentie en leidt tot motivatie. Dit proces is een meerjarenplan waarbij de stappen opnieuw doorlopen worden van praktijk, monitoring & evaluatie, plan en andere onderdelen zoals communicatie naar ouders van leerlingen, etc. De dynamische schooldag op maat is een kwestie van slim roosteren. Het gaat naast tijd ook om de kwaliteit van de activiteit. Daarbij is het belangrijk om te letten op minder vaardige leerlingen. Dit zijn de eerste kinderen die afhaken bij activiteiten. 

De kernboodschap van deze sessie is:
“We moeten niet wachten op landelijk beleid of een prachtig ingerichte omgeving en wij (docenten) hebben de sleutel in handen. Mijn advies is om meerdere jaren aan scholen verbonden te blijven om beweging te stimuleren in en rond de school.” aldus Janssen. Docenten, onderzoekers en andere professionals kunnen het systeem in beweging brengen om een nieuw normaal neer te zetten (e.g., de dynamische schooldag).

Lars Borghouts

Lars Borghouts

Onderzoeker bij lectoraat Move to Be | Fontys Sporthogeschool

Lars Borghouts introduceerde het team ‘Leren bewegen’ van het lectoraat Move to Be. Aan Move to Be wordt leiding gegeven door lectoren Steven Vos en Dave van Kann. Borghouts vertelt: “Bewegen en ook de gymles worden geformaliseerd bij de overgang van primair onderwijs naar voortgezet onderwijs. Het vak heet geen bewegingsonderwijs maar lichamelijke opvoeding, leerlingvolgsystemen worden cijfers. En in 66% van de gevallen telt het cijfer van het LO-vak mee voor determinatie.”

Het doel van het vak LO is ‘Een leven lang met plezier bewegen’. Borghouts geeft aan dat beoordeling met een cijfer niet altijd de beste manier is voor de motivatie van leerlingen. Onderzoekers uit het team kijken hoe de beoordeling van leerlingen beter en motiverender kan (e.g., formatief beoordelen) in de LO-les. Verder lichtte hij de huidige onderzoeksthema’s toe:

  1. Beoordelen en evalueren bij Lichamelijke Opvoeding lessen,
  2. Leerling motivatie/motivationeel leerklimaat bij LO;
  3. Docentprofessionalisering.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen summatief evalueren (momentopname aan het eind door de leraar) en formatief evalueren (gedurende het leerproces, waarbij de student betrokken is).

Uit het onderzoek van Fontys-collega Christa Krijgsman, die hierop promoveerde aan de Universiteit van Utrecht en Universiteit Gent bleek:

  • Er zijn meer gevoelens van druk en angst in lessen waarin een cijfer wordt gegeven,
  • Er zijn gunstige vormen van motivatie in lessen waarin het doel duidelijk is (feed-up strategie),
  • Psychologische basisbehoeften worden beter vervuld bij meer feedback en feedforward,
  • De negatieve gevolgen van cijfers kunnen waarschijnlijk worden tegengegaan door formatieve beoordeling.

En een ander voorbeeld is het onderzoek dat Borghouts bij Fontys samen deed met onder meer collega Menno Slingerland naar de docentprofessionaliserings methode Lesson Study. Dit werd vergeleken met een enkele workshop over motivationeel klimaat.

  • Lesson Study werd door leraren zeer gewaardeerd en effectief geacht,
  • Maar Lesson Study wordt gezien als moeilijk te implementeren in de dagelijkse praktijk;
  • Ondersteuning wordt gezien als essentieel in de beginfase.

In het onderzoek vonden observaties met GoPro camera’s als observatietool plaats. In de beelden werd gekeken of de docent meer motiverend les gaf dan voorheen. Er was een toename in autonomie en ondersteuning door leraren, een matige toename in structuur gegeven door leraren en een afname in het presentatieklimaat. Echter, het bleek dat er geen significant verschil was in leraarsgedrag tussen de geobserveerde groepen; Lesson Study of alleen een workshop maakte niet uit.

Gwen Weeldenburg is ondertussen in haar promotieonderzoek bezig met de ontwikkeling van een tool zodat (LO-)docenten zelfstandig aan de slag kunnen met motiverende strategieën. In dit participatief ontwerp onderzoek worden naast experts en ontwerpers ook veel leraren LO betrokken, om ervoor te zorgen dat de tool aansluit bij de wensen in de praktijk.